Waar zijn ooievaars te vinden


In 2024 was er weer een internationale ooievaarstelling. Deze wordt elke 10jaar gehouden en we zien nu dat de ooievaars het wereldwijd erg goed doen.Voor 45 landen kan de stand berekend worden en het wachten is nog op detelgegevens vanuit Polen, Roemenië, Rusland en Spanje. In 18 landen is ersprake van een zeer sterke stijging en in 19 landen is er sprake van eenduidelijke toename van 10% of meer. Verder zien we gelijk blijvers zoalsEstland, Hongarije, Kroatië en Portugal.In 4 landen is de populatie afgenomen. In Finland waar nog maar 1 paar wasin 2014, zijn ze nu verdwenen. In Litouwen daalde de populatie met 5,3% en inLetland was de daling zelfs 15%. In Estland is de populatie iets gezakt maardaar is hij eigenlijk stabiel.De wereldpopulatie wordt nu geschat op 325.000 tot 337.000 paren. Dit is tenopzichte van 2014 een stijging van ruim 20%.




Ooievaars in Nederland.

Over de aantallen ooievaars in vroegere eeuwen zijn geen precieze gegevens bekend maar wel valt uit oude boeken op te maken dat de stand bijzonder goed geweest moet zijn. Zo lezen we in de Katechismus der natuur van Martinet (1785) dat in de Betuwe " zulk eene groote menigte komt nestelen en broeien, dat in veele dorpen elk huis bijna éénen nest heeft". Toch werden er in de vroegere perioden ook meldingen genoteerd van een sterke achteruitgang van het aantal ooievaars, maar dit herstelde zich in de jaren daarna weer. (Martinet in 1769, van Lennip in 1859 en natuurlijk Haverschmidt vanaf begin 1900) In 1913 werd voor het eerst een landelijke telling gehouden toen Jan. P. Strijbos met zijn broer heel Nederland per fiets doorkruisten om alle gegevens te verzamelen en er bleken toen nog 500 bewoonde nesten te zijn. In de jaren twintig nam de achteruitgang een dusdanige vorm aan, dat Haverschmidt een census opzette om te onderzoeken hoeveel nesten Nederland nog rijk was. In 1930 waren er nog ruim 200 bewoonde nesten. Vanaf die periode werd de ooievaarsstand door Haverschmidt goed in kaart gebracht, daarbij geholpen door vaste medewerkers in ons land. Zo heeft met name (fûgeltsje) Bosch de situatie in Friesland goed op de kaart gezet. In 1939 leek het weer iets beter te gaan met 316 paar in Nederland (en 58 in Friesland) maar in 1950 was dit aantal gedaald tot 83 respectievelijk 12. In 1972 werden er nog 16 paren geteld en verdween ook het laatste broedpaar uit Friesland (Luxwoude).
De oorzaken voor deze sterke achteruitgang moeten vooral gezocht worden in de grootschalige ruilverkaveling die in het midden van deze eeuw het uiterlijk van het platteland sterk veranderde en daarmee verdwenen vele geschikte leefgebieden van de ooievaar. Vooral de sterke ontwatering van de eertijds vochtige graslanden en moeras en veengebieden heeft grote schade toegebracht. De sterke intensivering van de landbouw na de oorlog en het op grote schaal toepassen van bestrijdingsmiddelen alsmede de vele hoogspanningslijnen en gebruik van insecticiden in de trek en overwinteringsgebieden versterkten de negatieve ontwikkelingen, zodat de neerwaartse spiraal niet te keren leek.

Gelukkig is in 1969 op initiatief van de Vogelbescherming Nederland een herintroductieprogramma van start gegaan om de ooievaars voor Nederland te behouden. De eerste decennia lag de nadruk van dit herintroductieprogramma op de opbouw van de ooievaarspopulatie door middel van het fokken van ooievaars in het ooievaarsdorp "Het Liesveld". In de tweede decennia lag de nadruk op het uitzetten van de vogels middels de zogenaamde buitenstations die verspreid over het land werden opgezet. In de derde decennia is langzamerhand het aantal ooievaars uit het diepe dal gekropen en zijn er in Nederland weer meer dan 1000 ooievaars. Er is nog wel eens schamper over gedaan maar de pioniers van het ooievaarsproject hebben hun gelijk gehaald. Wat begon als hobby groeide uit tot een zeer geslaagd project en daarmee is de ooievaar op het nippertje behouden gebleven voor Nederland. Dit nu is wel het grootste compliment voor al die vrijwilligers die zich de afgelopen dertig jaar zo sterk hebben gemaakt voor onze ooievaars. We hebben de ooievaar terug! Er zijn nu ruim 900 broedparen in Nederland. Een deel daarvan zit nog sterk geconcentreerd rond de voormalige ooievaarsstations, voorbeelden daarvan zijn bv rond De Schiphorst en in Akmarijp. Maar ook in Voorburg (Den Haag) zit een redelijk grote groep. Dit heeft vooral te maken met het voedselaanbod, want hoewel onnodig (vanuit beleidsvisie STORK) wordt er nog stevig bijgevoerd. Landelijk zien we echter ook een nadrukkelijke stijging op zeer veel andere locaties. Dat betreft veelal, die gebieden, waar vroeger ook veel ooievaars voorkwamen. Blijkbaar zijn die gebieden ook 75 jaar later nog steeds meer geschikt als biotoop voor de ooievaar. In midden Nederland zijn dat vooral de riviergebieden. In Friesland zie je dat bijvoorbeeld in en rond Tietjerk (park Vijverburg) maar vooral Beetsterzwaag is zo’n gebied. Daar waren de ooievaars 52 jaar echt verdwenen en in 1997 vestigde zich daar weer een paar, op een nestplek welke al die 52 jaar in stand was gehouden. Het jaar daarop kwam paar 2 en nu 30 jaar later zitten er een 55 broedparen. En wonderlijk genoeg zitten daar bijna alle paren gewoon in de boom, in/op een zelf gemaakt en gekozen nest.






Terug naar boven